Waord van de waek

Maastricht Culturele Hoofdstad. Een droom? Deze week is in elk geval het bidboek gepresenteerd. Zou er vandaag nog iemand bidden dat die droom werkelijkheid wordt? Andere vraag: als die zin in de gazet gestaan had, hoeveel mensen zouden gedacht hebben dat ik niet weet wat dat bid van bidboek betekent. Of heeft het toch te maken met bidden = smeken, iemand om een gunst vragen, dus volledig Nederlands?

 

Kleine anekdote. Ik ben de initiator van de serie Platbook: regelmatig verschijnende boekjes met literatuur en teksten in het Limburgs. De naam is overigens bedacht door Paul Weelen. Welnu: toen ik ergens bad (vroeg, op de struiken sloeg) voor iets als Veldgewas, zei een weledelgeleerde: je hebt toch al die pletboeks! Cultureel misverstand zullen we zeggen. Een andere anekdote daarom.

 

Een jongetje, korte broek, kampknieën, komt tussen de middag thuis. De deur is zoals altijd open, maar hij ziet niemand. Hij speurt in schuur en stallen. Niemand, en hij stort zich wenend op een colletje afgestoten hooi. Omdat er niemand is?

Misschien, maar vooral omdat hij een negen voor dictee had. Een negen: dus een fout gemaakt. En hij snapt het nog niet, wil dat vertellen. De meester zou gedeclameerd hebben: ik trek aan de bel. Het jongetje hoorde en schreef: ik trek aan de wel. Aan een wel kun je niet trekken zei de meester, al weet het jongetje dat niet meer zeker – het is zolang geleden. Hij wist niet welke wel de meester bedoelde, en die wist weer niet van twee (of drie) wellen. Hollanders zeggen daar landrol tegen, zei de vader ’s avonds. Niemand heeft ooit gezegd: jongetje dacht dat de meester een paard was.

 

Ook een cultureel misverstand? Dat jongetje ben ik. We hadden zelf geen bel. De voordeur was trouwens altijd gesloten, want de bijkeuken had ook een deur, drie meter verder; dát was de huisdeur. En een trekbel had niemand. Iets van de stad, waar de meester vandaan kwam. Belletje trekken? Kenden we evenmin: we noemden dat muuskebellen; veel mooier woord. Ik zie daar het heimelijke van muizen in, zoals in de uitdrukking: ich zól dao waal ins muuske wille sjpele, stiekem loeren. Minder stiekem, openlijker is hónje: snuffelen. Ooit het werkwoord honden* vernomen? En iets laten lekken, wat politici doen, is dat niet een vorm van muuskebelle?

 

Wim Kuipers

46

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Het WvdW van vandaag kende ik een week geleden nog niet. Inmiddels heb ik er een stuk of zeven mails over, afkomstig van Rinus Mulders uit Hamont maar geboren in Echt. Hij bestelde in Antwerpen een spiegelei. “Zaet dae ober taege mich: dich meins ’n sopei”, mailt Mulders. Een ei om je boterham in te soppen. Heel eenvoudig.

Een nieuw woord? Nee hoor, leerde een onderzoek. Mulders vroeg binnen de West-Limburgse afdeling van Veldeke wie het woord kende. Theo van Dael kende in zijn jeugd het woord sjpegelei zeker niet. Ein hel gebakke ei waas niks lekkers en den zag mam: “Ich zal ’t neet ómdreie, den kóns se soppe!”, herinnert hij zich.

 

Het gaat niet alleen om gebakken eieren, want een zacht gekookt ei, daar kun je ook in soppen, met seldäötsjes, meldt een mail uit Kanne, bij Maastricht. Seldäötsjes zijn geroosterde stukjes brood ”in soep”, zegt het woordenboek. Nu dus ook om te soppen, in een sopei.

Sopei: het gaat me niet om de betekenis van dit woord, en wie gelijk heeft: de spiegelaars of de uitgekookten. Tussen haakjes: het Nederlandse woord spiegelei wordt nauwelijks meer gebruikt, want het is niemand duidelijk. Gewoon overgenomen uit het Frans: oeuf au miroir. Voortaan dus sopei. Een geweldig woord. Kijk ernaar. Proef het. Je leest /soopéi/. Maleis? Koreaans? Moet ik nog zeggen een gedicht te verwachten?

Maar niet te snel uit de pan halen ...

 

Wim Kuipers

45

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Oh die äö en ö’s – of zijn dat össen? Wièj wêét.

Anders gezegd: waar ben ik aan begonnen? De vraag in W43 was: kun je door accenten de kwaliteit van een tekst verbeteren?

 

Ik laat die vraag voorlopig liggen. Ook omdat het niet alleen om accenten gaat, wat dat dan ook mogen zijn. De mensen die reageerden waren van mening: zo weinig mogelijk van die dingen. Jack Jacobs: “Ik ben er voor om geen accenten te gebruiken, d.w.z. alleen waar de dichter dat nodig acht.” Hij zegt wel: “Maar voorlopig houd ik me aan de geadviseerde spelling.” Duidelijk.

Colla Bemelmans kiest eveneens voor inhoud, maar verzucht: “Laote v'r d'r lekker uëver dinke meh 't minstens 10 (tieën) jaor laote wie 't noe is.”

Ik wil hierbij voor alle duidelijkheid meedelen dat Veldgewas de spelling niet wil veranderen. We zouden dat niet eens kunnen want er is helemaal geen spelling. Dat zullen we nog wel verklaren. De boodschap lijkt: laten we ons niet druk maken over spelling, maar mooie gedichten en verhalen maken.

Helemaal mee eens. Een verhaal vol spelfouten is even boeiend, aangrijpend of poëtisch als hetzelfde verhaal zonder die fouten. Maar de waardering is stukken lager. Erger is dat mensen niet eens beginnen aan een gedicht/verhaal met een overvloed aan aanwijzingen voor de uitspraak. Dat valt niet te bewijzen natuurlijk, maar ik vind het hoogstwaarschijnlijk.

 

Even terug naar de aanhef. Kwaliteit, wat is dat? Ineens viel me op hoeveel soorten drinks we wel niet hebben. Waarom? Mode, aanstellerij? Nee: het woord drank heeft langzamerhand de betekenis van alcohol of verkeerde drank gekregen. Met te veel drank achter het stuur betekent: dronken.

Dat willen fabrikanten van allerlei sappen en drinkyoghurt natuurlijk niet – daarom: drinks. Drank – drink: een soort spelling? Ander accent?

Limburgers hebben dat een eeuw geleden al opgelost door van drinkes te spreken.

 

Wim Kuipers

44

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Een vraag die me meer dan een uur nachtrust gekost heeft: kun je door accenten de kwaliteit van een tekst verbeteren?

Ik heb altijd gedacht: niet of nauwelijks. Althans: in literaire teksten en met name poëzie, want daar hebben we het hier over. In zakelijk proza, thrillers en Nederlandse bestsellers staat de duidelijkheid voorop.

 

Logische volgende vraag: mocht het zo zijn dat accenten niets met kwaliteit te maken hebben, zou dan ook het tegenovergestelde gelden? Anders gezegd: kan het weglaten van min of meer historische accenten een tekst onduidelijker maken, dus boeiender?

 

Ik kwam op die vragen door een zin uit de beide Limburgse kranten van gisteren. In een bericht over een Schipholruzie staat: "Een nieuw acuut probleem is het feit dat KLM-topman Peter Hartman en Schipholbaas Jos Nijhuis niet meer door een deur kunnen." Uit die mededeling zou geconcludeerd kunnen worden dat beide heren hevige dikbuiken zijn. Immers: ze kunnen niet meer door een deur. Flauw? Nou: het staat er. Bedoeld zal zijn: niet samen door één deur.

 

Waarom staan er dan geen accenttekens op EEN? Antwoord: omdat je hier 'n kunt zeggen. Ik heb wat gegrasduind, maar taalkundigen bemoeien zich niet met zulk gedoe. Het voorschrift is afkomstig van de scholen voor de journalistiek, misschien wel Made in Windesheim. Boodschap: wie schrijft moet duidelijk zijn. Ik ga dat proberen, en zeg wat ik gehoord heb: als je een geschreven EEN als UN uit kunt spreken, schrijf je een; kan dat niet, dan schrijf je één. Gevolg: dra verschenen zinnen als: Bolkestein kreeg zijn VVD op een lijn. Ik riep dan: stonden ze eerst wezenloos midden in een cirkel?

 

Ander gevolg: je moest ineens schrijven: Bolkestein was één van de eerste politici met een wijsgerige achtergrond. Waarom één? Hij kan toch in zijn eentje niet twee politici zijn? Gevolg drie: af en toe is het voltrekt onduidelijk of een nu een telwoord is of een lidwoord. Dat was vroeger de reden van die tekens op een; die zeiden: één is een telwoord, geen lidwoord. Hier hebben we zuiver te maken met uitspraak, niet met betekenis.

Waarom dat losgelaten is? Je moet toch wat als docent aan een journalistieke opleiding. Natuurlijk hoorde ik ook antwoorden als: het lidwoord een slaat toch meestal op één object, zaak, geval? Klopt in: ik heb me een boek gekocht. Maar wat moet je met: ik heb een aantal boeken naar de kringloopwinkel gebracht? Je kunt het bijna nooit over één aantal hebben.

Waarom heb ik het nou hierover? Ik wil discussiëren over de noodzaak van tekens in het Limburgs. Weg met alle tekens die kleine uitspraakverschillen aangeven. Misschien ook weg met de è, want hoeveel woordparen bestaan er die alleen door die ` in betekenis verschillen? En dan heb ik het niet over bèd en Bet. Ik ben benieuwd.

 

Wim Kuipers

43

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Vastelaovend(j). Schijnt inmiddels ook onderdeel van het onbehagen te zijn. Niets van aantrekken. Ik hoorde zelfs zeuren dat je helemaal nergens kunt pinnen tijdens de dolle dagen. Nou, zou ik zeggen: houw dan de pin d’rin en gank heim veur d’n tv ligke.

 

Oei, waar wordt die pin in geslagen? Tja. In de Peel hoor je: in een turf. Arbeiders sloegen elke morgen als ze met werken begonnen een pin in een turf, om te weten wanneer het zondag zou zijn. Ze begonnen op maandag, en bij de zesde pin wisten ze zeker dat ze de volgende dag vrij hadden. Een mooi verhaal, dat volgens mij blijft bij een verhaal. Ik geloof hier weinig of niets van. Overigens: de bedoeling van deze rubriek (nog maar eens) is niet het verklaren van woorden en uitdrukkingen, maar: materiaal verschaffen voor een levendiger, vooral boeiender Limburgs. Ame zag de köster van Zjwame, pesjtoor van Neel dae de bóks oetveel.

 

Aldus besloten: de pin d’rin houwe blijven we gebruiken. Evenals: pinvól oftewel tjokvol. Hier moet wel een verklaring bij. Ergens de pin inslaan komt vrijwel zeker van de gewoonte om een (houten) pin te slaan in een wijnvat (of ook een kan voor bier, olie), om daarmee de inhoud aan te geven.

Mijn theorie nu. Dat gebeurde de eerste keer na het vullen van een nieuw vat. Sloeg men de pin erin bij het bereiken van de gewenste hoeveelheid, dan was het vullen afgelopen. De pin d’rin houwe is namelijk: ophouden met werken.

Nou is het moeilijk, zo niet onmogelijk te achterhalen hoe een uitdrukking ontstaan is, maar het verhaal van de turfstekers lijkt echt tweedehands. Verzin dus een verhaal dat die poejakkers des maandags al bij d’n aanvang van het werk naar de zaterdagavond verlangden ...

 

Pinvól echter: dat moet op de pin in een kan of vat betrekking hebben (zag dae van Zjwame ...).

Het woordenboek van Venlo is een van de weinige woordenboeken dat pinvól heeft. Maar ... het ziet pin- als een soort voorvoegsel, zoals – om een beetje modern te blijven – kei-: keihard, keigaaf, keigeleerd. Pin- zou dan betekenen: totaal, helemaal. Dat klopt voor pinvól en het daar ook opgevoerde pinzat: helemaal vol,volledige bezopen (zitten we toch nog bij de verkeerde kant van de Vastelaovendj), en ik kan alleen maar toejuichen als de Zoepkoel vandaag pinvól zól zien, al is daar die pin nergens te bekennen, edoch: woorden als pingelökkig, pindóm, pinhoog bestaan niet. Hier kun je wel overal kei- gebruiken, zei dae van Neel.

 

Vastelaovendj same,

 

Wim Kuipers

42 

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Vastelaovend(j). Pekske klaor? Ik moet er even op terugkomen: vorige week hadden de Limburgse kranten het over pèkske. Ik vind dat een spelfout. Eenvoudig: pèkske is overduidelijk een verkleinwoord; dan zou het grondwoord pèk moeten zijn, en dat ben ik nog nooit tegengekomen.

Dat verkleinwoord van ons pak – pekske – is al zo Limburgs, dat ik me afvraag waarom daar nog een accent aan toegevoegd wordt. Aanstellerij? Of lijkt pèkske zo een beetje Frans, broertje van costume? Ik meen dat het Frans ook costume d´apparat had of heeft: een galakostuum; sjtolspekske zullen we zeggen, zoals die oberjassen van de raden van elf. Kijk: een streepje meer of minder, dat zal voor een opgeblazen militair of agent geweldig zijn, maar voor de dagen ...

 

De vraag is dus: maakt een streepje meer een woord belangrijker?

 

Ik ben bang van wel – voor sommigen dan. Zaterdag weer de boetegeweun boetezitting, mede bedacht door Lei Meisen, zegt men. Zo niet: hij was de eerste presentator, en dus heette zijn creatie zoals hierboven gespeld. Waarom? Lei was van Zitterd, en daar is ‘gewoon’ gewoon geweun en buiten boete. Maar een paar jaar geleden verschenen ineens allerlei puntjes, streepjes, hoedjes zelfs op de klinkers van de zitting. Niet doen: zulke streepjes worden hindernissen bij het lezen. Wat bedoelen ze? Zou je misschien een boete moeten betalen als je geen polsbandje hebt?

Ik ga hier verder niet op in – herhaal nog maar eens: we moeten zo eenvoudig mogelijk spellen. Zeker als we poëzie onder de mensen brengen: die is al moeilijk genoeg.

 

Nog maar een woord. De openingskop van Trouw van vanmorgen, een citaat uit Polen: Laat hun tulpen maar verwelken. Mooi woord dat verwelken, maar ons woord daarvoor is zeker zo mooi: versjlakkere (soms versjlakke).

Waarom? Juist: omdat je de oorspronkelijke betekenis nog ziet: slap worden, slap als een slak. Edoch: we zeggen toch sjlek? Zekers, tot in de Betuwe toe, maar het woord versjlakke is afgeleid van het bijwoord slak = slap. Uit het Nederlands verdwenen, hoewel de v. Dale het nog heeft, als gewestelijk, met de verwijzing naar het Engelse slack, ook slap, zwak. Dat woord wordt ook niet precies uitgesproken met de /e/ van pekske, maar Engelsen zetten zelden streepjes op een woord: hun spelling is al moeilijk genoeg. En slakken spreken je niet tegen – plaatselijke dialectgekken wel.

 

Wim Kuipers

41

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Vorst vorst, strenge vorst. Ik wou weer aandacht vragen voor het mooie woord gevreur. Ik hoor het nauwelijks meer – zeker niet wanneer de weermannen van L1 in de streektaal voorspellen. Jammer. Bij gevreur hoort vreRe, maar die R van brrrr is vrijwel verdwenen, vrees (!) ik. Hoewel: de woordenboeken van Venlo en Roermond hebben vrere wel.

Een uitdrukking uit dat van Roermond: ’t vruus sjtein oet de gróndj. Merkwaardig: in dat van Swalmen, nu gemeente Roermond, staat: ’t vruus sjtruuk oet de aerd.

Zelf heb ik eens geschreven (niet verzonnen): ’t vruus sjnachs tösse man en vrouw. Klinkt gedateerd: toen de bedden 1.40 breed waren, de dekens dik en aom bevroor op de moer ... Was de uitdrukking algemeen bekend, zou er misschien wat mee gedaan kunnen worden bij een uitgeblust stel in een hete caravan aan de Costa Brava: dao vruus ’t noe zelfs tösse – nee: niet zo best.

 

Wim Kuipers

40

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Zou je het (werk)woord lange nog wel kunnen gebruiken, vroeg ik me af. We verlangen toch ook nog naar de winter/lente/zomer; dichten daar zelfs over. Bovendien: als de mensen niet (meer) weten wat lange betekent, kun je het dan maar beter niet gebruiken?

Arme Vondel, Kemp, Schönberg. En wat verdien je nu helemaal als dichter in dat veronachtzaamde Limburgs? Nog minder dan een uienboer (zie Veldgewas 123).

Lange: ik dacht daaraan toen ik – inderdaad: langs de waterkant – plots Geef mij maar Amsterdam hoorde zingen. Ik denk dat je niet zeggen kan: Lang mich mer Remunj; lange betekent weliswaar geven, maar het is vooral: overhandigen. Je vraagt om iets dat je hebben wil, dat je verwacht te krijgen.

En dan hoeft het niet zo heel letterlijk te zijn. Ik denk aan het begin van Lex barbarorum (wet van de barbaren ...) van Marsman:

 

Geef mij een mes.

ik wil deze zwarte zieke plek

uit mijn lichaam wegsnijden.

 

Lang lijkt me hier niet onmogelijk.

 

Maar als Ger Bertholet zingt: Bring mich de leefde, kun je daar dan wel lang gebruiken? Ger vervolgt namelijk met:

op eine telder es ’t kint - paar kilo leefde.

Zullen we zeggen dat lange bij een voorwerp, grei, gebruikt wordt?

 

Wim Kuipers

39

P.S. (voor wie ...): het gaat weer wat beter met Ger Bertholet.

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Nog maar een Waord. Bep Mergelsberg (nu Sittard) meldde/mailde dat ze het vroeger in Noorbeek over een sjoeëlsmal hadden, dus een schooltas. (zie W 36).  Het woordenboek van Sittard heeft: maal = ouderwetse linnen tas met linten (sjneur?), gedragen onder rok of bovenkleed. Ze werd door de huisvrouwen gebruikt voor het bergen van beurs, zakdoek, sleutels en zo verder. Tussen haakjes: de aanduiding huisvrouwen vind ik hier zo mooi. Deze maal ken ik als moderstes, maar hoe moest je daar je mobieltje in opbergen?

 

Juist: door het sjreuslaok, zegt het woordenboek van Sittard: zijopening aan vrouwenrok om de maal te kunnen bereiken. Helaas: hier moet volgens mij een R toegevoegd worden. Woordenboeken uit het Midden-Limburgse hebben namelijk sjreursgaat, een opening gemaakt door de sjreur of sjnieder. Nou zal het woord sjreur nooit meer herleven, zelfs de sporadische sjnieder is kleiermaeker geworden, maar het kan geen kwaad dat de betekenis van een zeer veel voorkomende en typisch Limburgse familienaam, Scheurs dus, voortleeft. Als dat geen cultureel erfgoed is ...

 

Terug naar Bep Mergelsberg. Ze voelt niets voor maal als mailtje. Kan ik me voorstellen. Ik wil daar wel voor pleiten, maar dat is iets als een motie in een dorpsvergadering van de SGP. Alleen: niemand verbiedt het een nieuw, geschreven Limburgs te maken (gaat hij nu male).

 

Wim Kuipers

38

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Interessant taalkundig mopperen gisteren in de Maastrichtse editie van Dagblad De Limburger. Steen des aanstoots was de spelling van het woord Frühshoppen. Zo gespeld kan dit dan Duits-Engelse woord betekenen: ‘s morgens vroeg gaan winkelen.

Foutje, taalverloedering? Nee hoor: veel erger. Het zou zelfs blasfemie zijn ofwel godslastering, meent Wiel Schins, want het woord werd gebezigd voor een programma en praatje van Guido Wevers, de zogeheten kartrekker voor Maastricht Culturele Hoofdstad.

Schins beleert dat het Frühschoppen moet zijn: voor de middag een glas bier drinken, uit Schoppen. Ein Schoppen is volgens de Duitse v. Dale een glas wijn, maar ook een glas (bier) van een kwart liter. Schoppen kan dus het glas zijn, én glas met inhoud; vergelijk: hij had een behoorlijk glas op. Ik citeer nog de uitdrukking: beim Schoppen sitzen, een glaasje bier drinken. Frühschoppen is volgend dat woordenboek een morgendrank of aperitief; daar zullen ze in Keulen heel anders over denken.

 

Nu dat Frühschoppen zonder C: shoppen, winkelen veur de noon zullen we zeggen. Hebben we misschien te maken met een zogeheten volksetymologie? Hier: een onbekend woord via de spelling bekend (proberen te) maken? Ik laat het antwoord graag aan het Genootschap Onze Taal over, want wij (allei dan) dienen Schoppen te kennen, althans ei sjöpke: klein bierglas op voetje, zegt het woordenboek van Roermond. Er staat een citaat bij uit de volksopera De kappietein van Köpenick: Hadde veer maar ei dröpke, oet ei beerglaas of ei sjöpke. De samensteller van het woordenboek, dr. J. Kats, suggereert verder dat vooral vrouwen ei sjöpke dronken; voor de menner van Remunj was zo’n glas natuurlijk te klein – die drinken Big Bennies.

Waar? Ónger eine sjop: overdekte open bergplaats, zegt het woordenboek, en de Duitse v. Dale: schuur, loods, afdak. Bij cafés en herbergen had je van die grote sjöp, waar ...

 

... ja/nee: me kan vreugsjöppe.

 

Wim Kuipers

37

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

In gedicht 119 stonden de volgende regels:

 

Ze zegge det veer Limburgers

Van eine gooje boam komme,

 

Boam (baom) betekent hier bodem, grond, maar in zoals dat heet figuurlijke betekenis. Helaas: ik heb deze betekenis niet in de woordenboeken kunnen vinden. Met baom = bodem bedoelen we het benedenste, zoals de baom van een fles, beek, bóksebaom (wat zou dat in het Nederlands zijn, de broekbodem?). Verder: de laatste laag die bij het dorsen aangepakt werd heette baomlaog, en dan kwam het bier (of soms iets eerder ...).

De vorige voorzitter van Veldeke schreef eens: cultuur van Limburgse baom. Ik heb toen geantwoord: dat zijn scheten.

Even terug: het woordenboek van Kirchroa meldt: vaste boam ónger de vus (voeten): dat lijkt me bijna altijd letterlijk bedoeld. Mocht dat beeldspraak zijn, dan nog is die boam bepaald, dus niet figuurlijk.

Over Kirchroa. Kreeg vandaag een mail van de vice-voorzitter van Veldeke, Lei Heijenrath (oes K.), met het prachtige woord aabraad, letterlijk vertaald: aangebracht. Het gedicht G119 was bij hem niet zo aabraad oftewel op zijn plaats. Werd er heel veel in het Limburgs gepubliceerd, dan zou dat woord overgenomen kunnen worden.

Ik kreeg een mail: eine melj? Iets dat gemeld wordt? Of moeten we zeggen: gebracht?

Heel kort: in het Weerter land heet een zakdoek maalplak. Een plak (doek) voor in de zak. Maar male was in het Middelnederlands eigenlijk een tas, nu dus de tas waarin de postbode zijn post heeft. In het Engels is die tas de hele post geworden, en daarom spreken we van mail en mailen ...

 

Hoe rijk is ons Limburgs toch: we kunnen kiezen uit melj en maal, ja: voor allebei. Een verstuurd mailbericht is eine maal, wat je krijgt via de mail is een mededeling, dus eine melj.

Waem lös nag wurtelkes?

 

Wim Kuipers

36

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Ik koppel hier (= gedich aone loerejan) nog maar een woordje van de week aan vast. Misschien is het woord loerejan uit de titel voor velen onbekend. Welnu: het is een vizier op een buks, althans op de buksen van het OLS. Een ander woord is loerejóng. Ik heb daarover in mijn boekje Waat zaes se? het volgende over geschreven:

 

Een echte volksetymologie misschien is loerejóng voor het Franse lorgnon: een lorgnet oftewel bril met handvat; daar loerde je door. En waar loer je vandaag de dag door? Een kijker op de buks van de schutterij, om de bulkes makkelijker te kunnen raken. Ook een loerejóng? Het woordenboek van Echt heeft daar loerejan voor. Ik vind loerejóng Limburgser. Om te beginnen: jóng lijkt wat meer op lorgnon dan dat -jan. Bovendien hebben we al genoeg van die jannen, die voor een groot deel afkomstig zijn van de naam Jan; je kunt een lange reeks --jannen verzinnen, en dan ben je een verzinjan.

Een tweede opmerking. Kijk even naar het woord kómpenie van Leonne Cramers. Mooi Limburgs woord. Betekent: gezelschap. Het is ongetwijfeld afkomstig van compagnie, maar daar denkt niemand meer aan. Wel aan kompel, kameraad, hoewel de v. Dale dat niet zo wil zien: daar staan kompel en koempel als synoniem, alleen voor: mijnwerker. Ik maak daarom graag onderscheid tussen de woorden koempel - kaolepiet, mienwirker, en kómpel = kameraad, vriend.

 

Wim Kuipers

35

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Oudejaarsavond. Het lawaait wat minder. Televisie? Dan hoor ik ineens: ”Oei, dat was raak.” Wat weet ik niet. De raak, zegt de v. Dale, is het gehemelte – gewestelijk dan. Moeten we daar nog wat mee?

Nou: Philip Jansen heeft in het gedicht van morgen het woord rake staan. Hij verklaart: keel, achterste deel van de mond, vgl. Duits der Rachen.

Nogmaals: moeten we daar wat mee?

Wacht even: Rachen betekent ook: muil, vooral van een dier. Het woord zou een nabootsing kunnen zijn van het geluid dat je hoort als een danig hongerige leeuw zijn muil opendoet. Rake, raak: wraak, draak. Niet weggooien. Het woordenboek van het Venrods heeft het ook: raak = verhemelte. Dan volgt de kwalificatie : Erfwoord. Overgeleverd dus. Het Limburgs als reservaat van het Middelnederlands.

Een citaat (aangepast): ... waar de Etna rook en vuur uit Aardrijks raken spuwt.

Wat anders dan een haffel (zie gedicht 111 van heden) rotjes.

 

Wim Kuipers

34

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Weer een paar mooie Limburgse woorden gekregen. Dank dank, maar daar gaat het me hier niet om. Ik heb vier boekjes geschreven met mooie (wat dat ook moge zijn), afwijkende, misschien daarom opmerkelijke Limburgse woorden. Nog wat: samen met Paul Prikken heb ik meer dan 700 afleveringen gemaakt van het radiospelletje Waor of neet Waor, waarin het ging om de juiste betekenis van een niet alledaags Limburgs woord. Bovendien: ze staan bij honderden in onze woordenboeken, die bijzondere woorden.

En toch ben ik op zoek naar (andere) bijzondere woorden. Moet ik definiëren hoe en wat precies? Nieuwe woorden zijn vaak bijzonder. Omdat ze nieuw zijn? Ik begrijp niet al te best de keuze van wildbreien als het beste nieuwe Nederlandse woord van dit jaar. Het gedoe komt (uiteraard) uit Amerika, waar dat knit graffiti genoemd wordt; gebreide dinges dus.

Voor het nette nuffige Nederland echter was het woord graffiti natuurlijk onbruikbaar. Argument: viespeukerij. Breien levert geen blijvende vervuiling op. Oei oei wat burgerlijk. Mag het toch ietwat stout zijn? Natuurlijk, en dus verscheen het woord wildbreien, pal en stoer tegenover braaf breien: het huishoudelijk breien van vroeger.

Ik bedoel maar: het woord wildbreien heeft nogal wat uitleg nodig, namelijk: het is van deze tijd, nu, modern. We breien geen borstrokken meer. Edoch: wie die brave borstrokken voor een stammetje eik, een verkeerszuil, batsvruntjelike köskes in de abri beziet, die ziet dat er niet zo heel veel veranderd is.

 

Deze rubriek gaat voornamelijk om de macht van gewone woorden. Gewoon duidelijk krachtig. Er schoot me weer eentje te binnen, boem ineens: sjtroumverkoup. Zo werd de latere PLEM genoemd, de (provinciale Limburgse) elektriciteitsmaatschappij. E-lek-tri-ci-teitsmaatschappij: dat woord zegt heel wat minder dan sjtroumverkoup.

Maar ja: dat is een gewoon nogal boerachtig woord. Daarom hebben we te maken met wildjkalle van ambtenaren, leraren en politici: als het maar indruk maakt op de gewone man, de (omgerekend) 83.000 Limbo’s die zoals dat heet functioneel analfabeet zijn.

Wat moeten dichters daar nu weer mee? Andere indruk(ken) maken?

 

Wim Kuipers

33 

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Eerst de maansverduistering, dan het Waord v/d Waek.

Dat is een echt Limburgs woord, hebben we beloofd. Het is echter ook een beetje de bedoeling meer woordvaardigheid te krijgen. Jazeker: door het bestuderen van en aan de slag gaan met de gekozen woorden.

 

Begin volgend jaar wordt de Gijsbrecht van Amstel weer opgevoerd, in een begrijpelijke vertaling. Het maandblad Onze Taal sprak met de vertaler. Die vertelde hoe hij worstelde met het woord landzaet: boer, bewoner van het platteland.

We kennen dat woord alleen nog als (achter)naam van een voetballer ... De v. Dale heeft het niet meer in bovenvermelde betekenis. Wat te doen? Boeren? Was te plat, vond de vertaler. Hij bedacht daarom het woord BOERVOLK. Krachtig woord, mooi nieuw. En de juiste betekenis: die maakt iedereen zelf maar. In het Limburgs kunnen we nog heel wat van deze woorden maken. Waarom? Er is (nog?) geen taalpolitie. Overigens hebben we al wat woorden die krachtiger lijken dan de Nederlandse. Ik noem paerspien, paersvót (paardenliefhebber), hóndjskooj, sjaopsmert, -ras.

  

Over naar het Limburgse woord van de Waek van Sinterklaos. Een woord voor iets wat er niet meer is. Dus ...

Nee. Het woord is misschien nog te gebruiken. Ik koos: poetzak. Dat schoot me plots te binnen bij het liedje over de zak van Sinterklaas, jongens jongens zo’n baas, waar de hele wereld in kan: eine poetzak. Ik vond dat woord alleen in het onbekende woordenboek van Herten. Betekenis: grote zak, voornamelijk voor kaaf (kaf). Logisch: zo’n zak vol aardappelen of graan was niet te tillen. Stoute kinderen konden er echter ook in. Poete dus ... Want wat zegt datzelfde woordenboek? Eine poet = banaal woord voor kind. Zo erg maken andere woordenboeken het niet. Die hebben vaak wel het woord poetje: vies, vuil kind. Sjepke. En als we dan nog even memoreren dat poet in de wereldtaal dichter betekent, dan kunnen we aan het werk ... Ben benieuwd.

 

Wim Kuipers

32

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Ik kan het niet vaak genoeg zeggen: het Waord v/d Waek bedoelt niet zozeer een kort taalstukje te zijn, maar meer een inspiratiebron voor dichters in het Limburgs. Nieuwe woorden leren, gekende woorden anders gebruiken. Taalvondsten. Grappen.

In mijn nieuwe boekje Waat zaes se? staat een soort volksetymologie: de Krotte van Roumesjang.

Daar waren een paar mensen uit Haelen met de bus heen geweest, vertelden ze. Ziehier de grafsteen van Roumesjang oftewel Jean Roumen.

De oplossing staat beneden. NB: Geen grapjes insturen als Black Pantalonië (Swartbroek) of Kingswood.

 

Wim Kuipers

31

 

 

Foto: Gerard Op 't Veld, Elst.

 

(Oplossing: de grotten van Remouchamps ...)

  

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Eerst even wat reclame – mag dat? Vorige week is mijn boekje Waat zaes se? verschenen. Op deze site staat daar wat meer over. Hier alleen dit: het zijn speels, soms spits geschreven artikelen over de Limburgse taal. Over nieuwe woorden, heel oude, over uitdrukkingen, leesplankjes en zogeheten achternamen. Plus proeven van taalstukjes in het Limburgs. Daar ga ik er meer van maken. Ze hebben een iets ander doel, namelijk: bijdragen aan de taalvaardigheid van schrijvers in het Limburgs. En daar ...

... ga ik weer verder over nadenken.

 

Ga nu even mee naar Thorn, zondagmiddag, naar de uitreiking van de literatuurprijs van Veldeke. Ik had net aldaar wat op de gang geknoterd, repte me naar binnen en hoorde in de eerste anderhalve minuut van het (naar later bleek) winnende verhaal de volgende woorden: zörgdje dus veur verwikkelinge / handjgemein / scheurde het woest / en kemphane. Vertaald Nederlands.

 

Mag dat dan niet?

Ach, aan de kwaliteit van het verhaal doet dat niet veel af. Niets misschien. Maar wat is straks nog de zin van het schrijven in het (het?) Limburgs? De deputé van cultuur had het vooral over de onderlinge verschillen binnen de langgerekte provincie. Nou en? Als het daarom gaat moet je doen wat 130 jaar geleden gebeurd is: een voorgeschreven verhaal in alle mogelijke dialecten laten vertalen.

 

Krek wat nu de BV Limburg doet: een stukje Nederlands proza van tv-ster Twan H. laten vertalen in het dialect van de plaats waar hij geboren is, opgegroeid, of waar zijn oudtante woont, ver buiten het dorp, en dat duur uitgeven als Limburgse literatuur. Maar is dat wel literatuur?

 

Allei knoterpot, maak een Waord van de Waek. Allez dan. Eerst WENT, uit een teruggevonden gedicht van mij. Daar struikelden lezers over. Heeft niets met wennen te maken, maar is een vorm van het voegwoord wen = als,

en wel de vorm die bij geer = jullie hoort. Went geer det doot ...

Ik denk dat dat nog geregeld gezegd wordt, maar de mensen die dat zeggen zijn zich daar vaak niet van bewust. Ik vind zo’n woord(vorm) voor poëzie zeer belangrijk. Zoals ook de gleujende ring van ’t vuur van Jack Jacobs in Veldgewas 92 (Óm de taofel): ring als meervouw van rink: dát is Limburgs meneer de deputé.

 

Wim Kuipers

30

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

 

Voor dit WvdW hebben we eerst een nieuw gedicht van Toos Schoenmakers nodig. Dat mag bij de verzameling komen ...

Hier komt het:

 

verkiendjs

 

op nakse veut,

jao berves banjere

door de sjerve

van ’t verlees,

wie ein moder

die sjölk en sjoot mis,

de werreld laeg.

 

zal ’t nótse

kertse te branje

taengen ’t duuster?

 

toos schoenmaekers

 

In Veldgewas 86 vinden we in haar gedicht vaze vol asters de regels: de vreuge duuster / waog mich zjwaor oppe rök, (...)

En duisternis heerste alom, zou ik haast zeggen. Maar loer goed: Toos heeft het over de - eventueel d’n - duuster

en ‘t duuster: HET – onzijdig.

Vergissing, slordigheid of is er verschil, al of niet onbewust, voor een oermoedertaalspreekster?

 

Ik zou graag verschil maken. Maakt Oos Taal interessanter, en wie weet zijn er mooie dingen mee te doen. Daar kan ik nu niet op ingaan. Ik suggereer dat we d’n duuster (en die N vinden we in heel Limburg) gebruiken voor donkerte, voor wat na de dómmeling (schemering) komt, dus voor een tijdsbepaling.

En ’t duuster dan voor allerlei andere duisternis, die laten we zeggen niet afhankelijk is van de zon. Toos bedoelt duidelijk: het duistere van verkinds zijn. Duidelijker was geweest: taenge det duuster. Zo kun je zeggen: ‘t duuster van det gedich ... ,

maar dan zeg je beter: ’t duustere.

Belangrijk?

Ach, ik constateerde verschillende duusters, althans verschil in wat heet woordgeslacht, en verbond daar een betekenis-verschil aan. Hebben we daar wat aan?

Nou, niet voor de mensen die Limburgs langzamerhand zien als anders uitgesproken Nederlands, en daar dan ook nog prijzen aan toekennen ...

Maar dat is (inderdaad) een ander verhaal.

 

Wim Kuipers

29

 

oooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo

 

Naar aanleiding van het WvdW van gisteren merkt Jac Storms uit Postert op dat het liedje met de regel knaokehel op det vel van La Bamba uit Montfort is, “waarmee ze een paar jaar geleden meededen aan het Vastelaovesleedjeskónkoer en ik dacht toen 2e werden”, vult hij aan.

Neem ik helemaal aan. Ik heb geen tijd noch zin dit te controleren. Vroeger was dat makkelijk. Er was een site met meer dan 10.000 Limburgse carnavalsliedjes. Daar moesten rechten voor betaald worden ... Zoals in principe ook voor de gedichten die ik verstuur. Maar ik neem aan ...

De samenstelster van die site echter zou: of moeten betalen, of een schriftelijke verklaring vragen dat de tekstschrijvers, componisten en zangers van misschien al vergeten gelegenheidsliedjes geen vergoeding wilden.

Ik heb daarover in de Limburgse kranten van vorig jaar 10 februari geschreven, gesuggereerd dat de provincie maar moest betalen (iets van zesduizend euro) om dit cultureel erfgoed te redden, maar ik heb niets meer mogen vernemen.

 

Wim Kuipers

28

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

 

Knaokehel verhaole

 

Er knaagde iets. Niet dat het te horen was, meer enigszins eu in de boek. Ik was vanmorgen enthousiast over de flard knaokehel op det vel, vertaald: keihard op dat vel (van de dikke trom of zjiem). (Staat in een liedje van weet ik niet wie).

Nu zie ik: dat was wat al te snel geoordeeld. Knaokehel geeft veel meer een toestand aan, is statisch. ’t Betekent zeker ‘keihard’, maar dan van al of niet bevroren grond, een mislukte pannenkoek, oud stokbrood.

Maar knaokehel sláán, of pave, nee: daar moeten we wat beters voor verzinnen.

 

Edoch: als je ziet dat voor de prijs van Veldeke een verhaal genomineerd is met de titel: De geheime verhaole van de Maas, het spijt me vreselijk, maar dat vind ik een taalfout. We hebben het over gooj verhaole, aoj, nuuj, vraem verhaole, laam veut van 11-11-11, taam raregekke, dus ook: GEHEIM verhaole.

 

Wim Kuipers

27

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Zaterdag plots gezien waarom Veldgewas wat kwakkelt. Dat was in Eindhoven, in een hal jonge ontwerpers vol zelfvertrouwen, al wonen ze (nog) in een kraakpand. Ich troew mich neet, zei ik hardop. Geine boezjeerde. En niemand vroeg wat ik bedoelde. Wat had ik moeten zeggen: ik vertrouw me zelf niet? Dat kan verkeerd begrepen worden. Of ik mezelf wantrouw, onbetrouwbaar vind. Veel te overdreven, hoewel zich troewe vrijwel altijd met een nietje verbonden is (ik heb betere taalgrapjes gemaakt), dus ontkennend gebruikt wordt.

Betekenis: onzeker zijn van jezelf. Duidelijk iets anders dan wantrouwen. En voor auteurs mooi om wat mee te stoeien.

Tussen haakjes: trouwen = huwen is vrijwel overal trouwe, maar ik wil voorlopig niet lezen: hae troewde det trouwe van de börgemeister neet.

 

Wim Kuipers

26

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

  

Orte in de koelkast

 

Oude woorden – wat moeten we daar nog mee? Gebruiken, zou ik zeggen. Maar als dat niet gebeurt? Ergens neerleggen zo’n woord. Straks kan iemand het interessant vinden om (weer) te gebruiken. Zo zijn de klompen ook ooit teruggekomen – voor de vrije tijd. Boeren dragen geen klompen meer.

 

Woorden voor dingen die alleen nog maar in musea te vinden zijn, veelal woorden van de boer, die kun je moeilijk in leven houden. Toegegeven, maar we kunnen ze wel een nieuwe betekenis geven. Het MLW-woord orte werd als volgt toegelicht: als de inzender te laat thuis kwam, kreeg hij orte te eten, ofwel: wat er nog was, de restjes. Het Engelse woord ort is eveneens: restje, kliekje, overschotje. Dat betekent niet dat Limburgers dit woord ooit uit het Engels gehaald hebben. Eerder is het de Noordzee overgestoken.

 

Ik kende het woord alleen uit een (verborgen) weerspreuk. Die hoorde je met Maria Lichtmis (2 februari). Als die dag de zon op het altaar scheen, sjeper bewaar dien orte, werd dan gewaarschuwd; dan moest de schaapherder alles wat enigszins eetbaar was bewaren, want er zou nog een strenge winter volgen.

En wat moest hij bewaren? Niet het mooie stro, maar afval, zoals stukjes stro, losse aren, noem maar op. Ik vind het dan ook teleurstellend dat het Zjwaams Waordebook (Swalmen), dat als zeer betrouwbaar geldt, ort verklaart als: bundel halmen. Ik moest met een glimlach denken aan een uitdrukking uit het woordenboek van het Vinrods: orte make oftewel: door onkunde veel materiaal verloren doen gaan. Oude woorden bij het afval laten liggen?

Dat woordenboek (Venray) heeft wel de juiste betekenis van ort: rest overgeschoten voedsel. Tussenvraag: maakt het veel uit of orte enkel- of meervoud is? Orte in Sittard = koffiedrab, een woord dat geen meervoud heeft. Het woordenboek van Kerkrade heeft alleen de vorm ótse: etensresten, en ook de weerspreuk.

 

Even nog Maria Lichtmis (Limburgs Leechdaag) uit de mottenkast halen. Nu denken we bij (een) lichtmis aan een losbol, eine sjalevaeger. Hier betekent lichtmis eenvoudig: een mis met veel licht, kaarsen in de kerk. Bovendien wordt de dag nu merkbaar lichter: deze dag valt precies veertig dagen na Kerstmis. Einde aan de donkere tijd, de zogenaamde grote kersttijd, de tijd dat om licht gesmeekt werd; die begon veertig dagen vóór Kerstmis, op de elfde van de elfde, feest van Sintermerte (Maarten). Ook dan is er licht: de Sint-Maartensvuren.

 

Wim Kuipers

25

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Ik moet een behoorlijke achterstand inhalen, vrees ik. Nou zal dat niet zo moeilijk zijn. Ik heb een paar jaar geleden het boekje Aek op de sjóttelsplak gepubliceerd, met pakweg 1400 opmerkelijke Limburgse woorden. Woorden waarvan ik hoop(te) dat schrijvers die gebruiken gingen. Kan ik dus de rest van mijn leven uit putten, want het boekje is uitverkocht (4000 exemplaren, best aardig), maar misschien wordt het opnieuw uitgegeven. Tot zover de STER.

  

Ik ben bang (hierboven ‘vreesde’ ik al) dat ik met het WvdW de suggestie gewekt heb dat het om zeldzame woorden ging. Helemaal niet. Ik wil auteurs attent maken (ik schrijf ineens in het Nederlands, laat ik dat maar blijven doen, u hoort nog wel van mij) op woorden die nog heel goed te gebruiken zijn. Ik zie zo vaak (laat ik het maar niet zeggen, of toch: Nederlands dat een jaar in de regen gelegen heeft – een Limburgs dichtertje ziet dat liggen, neemt het mee naar huis, droogt het, voegt een ketel ë’s toe, een snufje oa’s, een J waar al een J staat – IJJ, WI-J – , strooit overvloedig met andere J’s en ö’s, en dan heeft het een Limburgs gedicht) gedichten waarvan ik denk: waarom zijn die in het Limburgs geschreven? Daar moeten we nog uitgebreid over praten. Gebeurt (als het aan mij ligt).

  

Ik schreef hierboven: neemt dat mee naar huis, (...) Naemt dat mei naor hoes? Ik gebruik voor ‘naar huis’ liever HEIVES, hoewel ik dat heim niet geleerd heb. Het staat ook niet in de woordenboeken van Reuver, Roermond,, Swalmen, Tegelen. Nou en? Mag je een woord dat je at home niet geleerd hebt DAAROM niet gebruiken?

  

Er moet nog veel gebeuren ...

 

Wim Kuipers

24 

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Wen ich ein vaan hauw, sjtook ich ze noe oet. Boeveur (ich woon al jaore in 043)?

Nou, Guus Peters haet sebiet gedaon wo ich op haop: get doon mit die wäörd van WvdW.

Hae is opgegreujd in Venlo, daonao nao Gelaen verhoes. Heim heurde hae schoor veur 'ein nutte buuj', en in Gelaen woor det sjoel, zaet d'r, en hae dink det d'r gei versjil is, en onnag: me mót zich veur bei sjoele ...

 

dus:

  

Ob er sagt Schul oder Schauer,

es schützt sich Dichter wie Bauer.

  

Det ich sjoel get minder Code Oranje vinj, waat bómp det: hiej is mit de taal gesjpeeld; vaan oet en hoog de träöt!

 

Wim Kuipers

23

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Allei – nag efkes euver sjäör en zoe.

Wo veer – oos femilie – ’t waord sjaor veur ‘kluit’ vandan höbbe gaon ich oetzeuke. Mae ich wil hiej neet eine taaldeskundige oethange,

’t geit zich d’rum det dichters in ’t Limburgs, sjrievers, mier wäörd kriege veur häör ambach.

  

Väöl luuj wille dit neet (“det waord kinne veer neet, noets van geheurd, ich sjrief Veenlands”), tja: ich bemeuj mich neet mit de sjpelregels van beugele. Kreeg waal bao hooggelierde pos euver de meining det sjaor hiej en dao ein ‘regenbui’ zól zien. Waerde betwiefeld. Allei dan. Venloos Woordenboek (zoe hit dat), p. 236: schoor =

a. bui

b. zwerm. Veurbeeldj: ein schoor vlege.

Tegelen: sjoor = onweersbui, ook wel zware regenbui.

Good: det waord kump langs de Pruse grens veur, Duits Schauer, Ingels shower = douche, mae zeker ouch: zjwaor buuj.

Waat wil ich noe?

Get doon mit de wäörd bies = buuj (moog zeker gebroek waere), sjoel en sjoor. Een sjoor is dan voor de zware gevallen. Hómmelsjoor: plensbui, Code Oranje of zoiets. Wie sjiek is ’t waord sjoel; of det noe van sjoele (schuilen) kump: waat bómp det, liek mich waal sjiek veur d’n dichter, wiewaal ich ouch op ‘een school vissen’ kan wieze, mae is det neet de schoor van die vlege? Ein sjaor vlege = een schare.

Edoch: wie dök doon de R en de L neet aan partnerruil? Laote veur deze riekdóm neet dóm haoje, sjrief en doot, dan waert ’t nag get mit de poëzie in ’t Limburgs.

 

Vräögske: waat klink baeter, waat IS baeter:

in een oud stadje langs de watergracht

(veerde regel Mei van Gorter)

of

in ei sjiet dörpke biej de miemelbaek.

Wobiej wen me neerkiek op die baek ich mesjiens zól sjrieve: leuterbaek.

 

Wim Kuipers

22

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Ram verpoepzak. Wore mich dao neuge nuuj berichter, ammaol euver 't waord sjaor. En kwaliteit. En nag nu sjaore ... Nuuj sjaore?

Zeker, ich citeer: witte pepel: (Leonne Cramers, Zitterd). Eendagsvlieg (visaas; oeveraas) Tegelen; nachtvlinder Sittard; witje, zaet Karel Ruiten. Vlinder - Els Diederen. Opm.: kan neet. Mesjiens ei mutje? Angere zagte det ze de beteikenisse oet de waordelies van 't AGL hauwe, die op internet sjteit. Sjiek sjiek, en dao sjteit dae vlinder biej, mae is det waal zoe? 't Waordebook van Tegele haet sjaores: haft, netvleugelig insect: eendagsvlieg. Mae waat zien det veur dinger dan?

Laote veer de man van 't book Sjprok en sjaores aan 't waord, Carel Ververs (en in mien sjpelling dan, die van 't AGL det neet besjteit

mae waal prima is): "Sjaores höbbe ei lank lief mit drei lang sjterte en op de kop twie häöres. Ze sjtale ei bietje op eine garepaap, mae de vleugels zien kórter en breier." Waat zeen veer hiej noe?

Det sjaores miervoud is, en det d'r dus ouch sjaor besjteit, det höb ich noe gelierd. En toch zaet mich mien taalgeveul: hiej is get angers aan de handj. Is roukes 't miervoud van rouk? Nae; drinkes dan van drank? Oos Taal is prachtig. Nag: sjaores is/liek miervoud, den waat mót me mit EIN eindaagsvleeg veur te vèsse?

Anger sjaorwäörd höbbe gein miervoud, zaet me, wiel det neet gebroek waert, zoe wie sjaor = ougs, opbrings.

Bep Mergelsberg zaet ierlik: "Èges kaant 'ch allèng sjaor in de betekenis van oogst!" Det liek mich de belangriekste. Mae waat mich betruf: allein in de beteikenis van GOOJ obbrings. Kan me ouch gebroeke (en dao geit 't mich um) veur ein eindexameklas die gemiddeld 7,8 gehaold haet: ein gooj sjaor dit jaor.

Ouch Nederlandjs, en Ingels share (aandeil) zól 'tzelfde waord zien. Ich dink det Karel Ruiten net gewónne haet. Zie lieske:

1. sjaor = oever van een rivier (schoor) Montfort

2. sjaor = eerste trek hooi; opbrengst (gromentj) Montfort

3. sjaor = bovenlaag van weefsels (bv van tapijt) Roermond (korte uitspraak)

4. sjaor = eendagsvlieg (visaas; oeveraas) Tegelen; nachtvlinder Sittard; witje

5. sjaor = stut (zware balk) ouch sjoerbalk in vakwerkhoezer.

 

Waat 3 betruf: zuug waat Guus Peters mailde:

4) Waal mein ich 't oats geheurd te höbbe in de beteikenis van vläög of waefrichting: mit de sjaor mit beusjtele. (Mót me ouch kónne zèkge: dat geit häöm taenge de sjaor inne.)

Die oetdrökking zól ich wille haoje: taenge de sjaor ingaon. Aasfgesjpraoke? Ich wil namelik 't Limburgs waordebook neet euverdoon, mae veur mier materiaal zörge, zörge det sjrievers gei vertaald Nederlandjs gebroeke hove. 't Dringk nag neet door: veer sjrievers make 't Limburgs, neet de leje van 't Limburgs Parlement of die van de Raod veur 't Limburgs.

Nag ein sjoen oetdrökking, mae veurbiej: dae haet zich de sjaor van de bóks gebaejd.

Waat is dit? 't Waord van de Waek? 't Zien d'r noe al 487. Sjaor = stut, Ned. schoren. Det van det hoog ober (= kant, oever in Neel), det klop ouch. Obbernuuj Ingels: shore = oever, van een meer bijvoorbeeld. Off shore: wied in de zie.

 

Mae det GEINE GEINE GEINE sjaor es kluut neump, wo höb ich det waord van mitgekrege?

Waordebeuk van Remunj, Herte, Zjwame (noe allebei Remunj), det van Oppe Ruiver en zoe wiejer: nieks. Ech onneet. Loze ze biej ós al de v. Dale wie dae d'r nag neet woor? (Hiej geit weer get mis ...) Kan neet. Keem v. Dale, eine Zeeuw, dök in Neel? Weit ich neet,

mae ich vónj waal: schorkloet. Loer in de v. Dale ...

Wiejer: John Bovendeert mailt: in 't Kölsch plat hat me vuur 't hochdeutsche woad Regenschauer (reëgebui, sjoel): Schor.

Höbbe nag twie luuuj ingesjik. Kump veur, mae meis es sjoor = Ingels shower.

 

En noe houw ich de pin d'rin, en laes neet nao of d'r gei fuitje in sjteit. Sjaor - sjäörkes fien kloppe:

 

Wim Kuipers

W21

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Helaas, 't WvdW kump mörgenaovendj laat. 't Is ei geweun wäördje: SJAOR, kórt en lank oetgesjpraoke.

Priesvräögske: waem kint mier es DREI beteikenisse?

De ev. verlejen tied van sjaere (scheren) heurt dao neet biej.

Ich bön benuujd.

 

Wim Kuipers

W20

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

 

Nuuj wäörd guf ’t neet väöl in ‘t Limburgs. Wiewaal: mesjiens breuje de kaffees in Naer jeder jaor drei nuuj wäörd oet.

Allein: wie kómme die wiejer? Det guljt ouch veur wäörd in Heerhugowaard of Appingedam. Wäörd die in Amsterdam gebaore waere höbbe hóngerd maol mier kans. Zjuus: d’n tillevies. Neet veur nieks kump ei riechtig nuuj Limburgs waord van de radio: d’n Um.

Gans kórt. De sjötte die d’n aoje Limburger wónne repe: veer höbbe ‘m. Mae waat hauwe ze dan?, vroog versjlaaggaever Als Poell zich aaf. Hae leet doe ei beeldje make det d’r d’n Um neumde, dus ‘m – waat ze hauwe, en noe kriege. En det Um is ei waord gewaore, veur ’t winne van ‘t OLS.

Me kan al laeze det Sint-Dinghus en Colarus d’n Um veur ’t iers wón in 1923, wie d’r dus nag geinen Um woor; zoe mót det.

Karel Ruiten leut sjötte die sjtief van de zenewe (ich sjrief zeNewe waege zaenE) sjtaon zègke: Umme veer of waert ’t obbernuuj louw? (Gedich 065, van vanmörge).

 

Wim Kuipers

W19

 

ooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo  

Redactie: Wim Kuipers en Har Sniekers.

Aanmelden, bijdragen en suggesties: veldgewas@home.nl.

oooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo